Kruiskerk

  • Romanogotisch
  • Begin 12de t/m 14de eeuw
  • Protestants
  • Gewelfschilderingen, preekstoel, herenbank, orgel

Een ingewikkeld maar fascinerend bouwwerk. De originele tufstenen parochiekerk werd kort na 1100 gebouwd, een eeuw later uitgebreid, en een eeuw later opnieuw. Die geschiedenis is van de gevels af te lezen. De oorspronkelijke eenbeukige kerk is nog herkenbaar aan de toren en de lage tufstenen gedeelten aan weerszijden.

Duidelijk te zien is ook dat de toren verhoogd is. Dat gebeurde toen – na weer een verbouwing – de nok van het dak boven de toren dreigde uit te komen. Daarmee zijn de verhoudingen wat uit balans geraakt; de toren is bij de forse kerk erg slank.

De verbouwing tot driebeukige kerk in de dertiende eeuw was waarschijnlijk onder invloed van het naburige klooster: het Barraconvent. De zijbeuken zijn na de hervorming gesloopt en dat werd de kerk bijna fataal. De zijbeuken bleken namelijk belangrijk voor de stabiliteit van het gebouw. In 1950 moest de kerk sluiten wegens instortingsgevaar, waarna bij een restauratie zijbeuken gereconstrueerd zijn.

Binnen zijn er vijf kruisribgewelven te zien met op sommige restanten van schilderingen. De inrichting is in de loop der jaren flink veranderd. Banken zijn door stoelen vervangen en de kloeke preekstoel kwam voor in de kerk. Het fraaie Van Dam-orgel uit 1788 kreeg een rupositief.

+ Meer informatie

Extra informatie:

Kort na 1100 is de tufstenen parochiekerk, gewijd aan Sint-Martinus, gebouwd. Ruim een eeuw later werd het godshuis uitgebreid en weer een eeuw later is dit opnieuw gebeurd. Daardoor is het een even ingewikkeld als fascinerend bouwwerk geworden, waarvan de geschiedenis nog goed afleesbaar is. De geschiedenis van de kerk is sterk verweven met die van het klooster van de reguliere kanunniken van Sint-Augustinus dat in het begin van de 13de eeuw, in elk geval vóór 1240, ten noorden van Burgum werd gesticht. De bezittingen van dit Barraconvent, ook wel Berghklooster genoemd, grensden aan die van de parochie en er is vanuit het klooster stellig invloed uitgeoefend.

De eenbeukige parochiekerk is nog te herkennen in de toren en de laagste, tufstenen gedeelten van de westelijke gevel aan weerszijden van de toren. Dit muurwerk is later met baksteen verhoogd. Aan het begin van de 13de eeuw is de kerk ingrijpend veranderd en uitgebreid. De kerk is ook verhoogd, er zijn zijbeuken aangebouwd en zij werd verlengd met een koor. De romano-gotische vernieuwing is het best te zien aan het koor. Daar staan smalle, hoge en licht spitsbogige vensters met omlijstingen van rondstaafprofielen. Het muurwerk is verlevendigd met spaarvelden van metselmozaïek in kepervormen en vlechtwerk. Het tufsteenmateriaal van de toen naar de zijbeuken geopende muren is hergebruikt voor het bepleisteren van de binnenwanden en als muurvulsel. De nok van het flink verhoogde dak rees bijna boven de toren uit en deze is toen met baksteen verhoogd. Daarmee zijn verhoudingen uit balans geraakt: de toren is bij de forse kerk erg slank. Het fraaiste aspect ging aanvankelijk verloren; de rondbogige galmgaten met tufstenen zuiltjes werden dichtgezet, maar ze zijn bij de restauratie in de jaren 50 weer geopend, waardoor de toren twee stel galmgaten boven elkaar bezit. De vernieuwing tot driebeukige kerk vond ongetwijfeld plaats onder invloed van het klooster. Weer een eeuw later vond er een merkwaardige uitbreiding tot kruiskerk plaats: tussen koor en schip kwamen dwarspanden. Maar dit transept was niet breed en stak alleen in de hoogte boven de zijbeuken uit. De eindmuren van de zijbeuken werden daartoe deels benut. Ruimtewinst werd er niet mee bereikt; parochie en klooster zullen mogelijk representatie en decorum voor ogen hebben gehad. Tijdens de bouw is mogelijk nog besloten de dwarsarmen breder te maken. De vensters zitten namelijk asymmetrisch in de sluitwanden van het transept.

De kloostergebouwen zijn spoedig na de hervorming van 1580 gesloopt en de kerk onderging tussen 1610 en 1613 een bijna catastrofale verbouwing. De zijbeuken waren overbodig en werden gesloopt. Er werd kennelijk niet beseft dat dit gevolgen voor de stabiliteit van het in steen overwelfde gebouw kon hebben. De zijbeuken hadden niet alleen een liturgische functie, maar dienden tevens om de druk van kap en gewelf op te vangen en af te leiden. Het verval kon niet uitblijven. Pas in 1950 werd zij gesloten wegens instortingsgevaar. Een paar jaar later werd een vijf jaar durende restauratie uitgevoerd, waarbij de reconstructie van de zijbeuken om esthetische en constructieve redenen de belangrijkste wijziging was. De namaakbeuken zijn in een kleinere baksteensoort uitgevoerd en inwendig met vlakke balkenplafonds gedekt, waardoor de vernieuwde gedeelten altijd herkend kunnen worden.

Het schip is in vijf traveeën overwelfd met kruisribgewelven in koepelvorm met hoge gordelbogen, waarbij de ribben in rondstaafvorm in de sluiting bijeenkomen in een ring of een rozet. Op sommige gewelfschelpen zitten restanten van schilderingen, meestal decoratieve plant- en diermotieven. Tussen schip en nieuwe zijbeuken staan zware geprofileerde kolommen met spitsbogige scheibogen. Bij de restauratie is de inrichting flink veranderd. De banken zijn door stoelen vervangen en het 17de-eeuwse meubilair is verplaatst. De kloeke preekstoel uit omstreeks 1685 met omrankte, gewrongen hoekzuiltjes en gekorniste panelen en fors klankbord kwam voor in de kerk (het doophek ging verloren) en herenbanken, samengesteld uit verschillende andere banken, zijn in de transeptarmen geplaatst. Het fraaie en welluidende orgel met rugpositief is in 1783-’88 gebouwd door L. van Dam & Zn. uit Leeuwarden.

- Minder informatie
Informatie
Openingstijden
Faciliteiten